DCD: ALS SPELENDERWIJS EXTRA OEFENEN ONVOLDOENDE HELPT

In dit artikel wordt besproken wanneer ouders zich zorgen moeten maken over het bewegen van hun kind, wanneer er sprake is van een Developmental Coordination Disorder (DCD) en welke behandeling het best werkt. Het antwoord op deze vragen wordt gegeven door Marina Schoemaker, voorzitter van het DCD Netwerk Nederland.

Schoemaker geeft aan dat ouders of leerkrachten zich zorgen moeten maken wanneer de ontwikkeling van motorische vaardigheden ondanks extra stimulering achterblijft. Of motorisch onhandige kinderen hulp nodig hebben, hangt volgens haar af van de problemen die deze kinderen in het dagelijks leven ervaren.

Kinderen met DCD hebben vaak de neiging om zich terug te trekken uit fysieke activiteiten  omdat zij het vervelend vinden om te falen in de aanwezigheid van anderen. Het steeds minder bewegen heeft gevolgen voor hun gezondheid. Kinderen die lichamelijk minder fit zijn, zullen minder bewegen en daardoor minder oefenen met motoriek.

Ouders kunnen volgens Schoemaker bij iedere kinderfysotherapeut of -ergotherapeut terecht voor goede behandeling. Het effect van behandelingen gericht op lichaamsfuncties is niet aangetoond. Zolang het effect niet wetenschappelijk is aangetoond, wordt in de Nederlands DCD-Richtlijn afgeraden om dit soort behandelingen voor kinderen met DCD te gebruiken. Het is bewezen dat behandelingen die zich richten op het verbeteren van de conditie en het trainen van de spieren wel effectief zijn.

Uit internationaal wetenschappelijk onderzoek blijkt dat behandelingen die zich richten op het verbeteren van motorische activiteiten en participatie het meest effectief zijn. Dit wordt taakgericht oefenen genoemd. Ten slotte wordt er benoemd dat het belangrijk is dat kinderen successen ervaren zodat hun motivatie en zelfvertrouwen toeneemt.


Titel informatie
Auteur

Luijckx, Joli

Tijdschrift

Balans magazine

Uitgave

Jrg. 32 (2019), nr. 5 (november)

Collatie

p. 26-28

Publicatiejaar

2019